Hét
symbool van Rome is het Colosseum. Een bekende uitdrukking in Rome
onderstreept dit: "Zolang het Colosseum bestaat, zal Rome bestaan. En
zolang Rome bestaat, bestaat de wereld."
In tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt, is de naam Colosseum niet
gerelateerd aan de kolossale afmetingen van het stadion zelf. Nee, het
stadion is genoemd naar de Colossus van Nero, een gigantisch gouden
beeld van de keizer die op ongeveer dezelfde plaats stond als het
stadion nu.
Die keizer Nero was wel een markant figuur. Hij zag zichzelf als een
groot artiest en leed niet onder valse bescheidenheid. Volgens de
Romeinse geschiedschrijver Suetonius liet hij een groot deel van Rome
in brand steken, zodat er ruimte vrij zou komen voor een nieuw paleis.
Terwijl Rome in brand stond, stond hij op de uitkijk op de Palatijn
liederen te zingen die betrekking hadden op de ondergang van Troje.
Kijk, dat is nog eens een sterk staaltje van leiderschap in crisistijd.
Toen het vuur gedoofd was, kon men met name op de Esquilijn (de heuvel
tussen het huidige Colosseum en de Santa Maria Maggiore) beginnen met
puin ruimen. Nero maakte van de gelegenheid gebruik om zijn
droompaleisje te bouwen, het Domus Aurea. "Domus Aurea" betekent
"Gouden huis" en dat is niet voor niks: kosten noch moeiten werden
gespaard bij de bouw van het complex dat zich uitstrekte over een
gebied van bijna een halve vierkante kilometer vanaf de Palatijn tot op
de Colle Oppio.
In een soort binnenplaats in het huis was een kunstmatig meertje
aangelegd, en daarnaast werd een reusachtig beeld van de keizer
opgericht, de beruchte Colossus.
Na Nero's zelfmoord (volgens goede keizerlijke traditie stierf Nero
niet in bed) werd zijn huis afgebroken, de Colossus neergehaald en het
meertje gedempt. Op de plek van het meertje bouwde keizer Vespasianus
een gigantisch stadion voor 50.000 toeschouwers - een slimme actie van
de keizer om weer in genade te komen bij het volk, want het vertrouwen
van de Romeinse burger in de politiek zal na Nero's bewind niet bijster
hoog geweest zijn.
Hoewel het Colosseum er
nog steeds indrukwekkend uitziet, was het in de
Romeinse tijd nog aanzienlijk uitbundiger versierd dan tegenwoordig. Zo
stond bijvoorbeeld onder elke boog op de bovenste verdiepingen een
groot marmeren standbeeld, terwijl de buitenkant helemaal bedekt was
met marmer. Dit materiaal is er allemaal uitgesloopt in latere eeuwen,
voor een groot deel ten behoeve van andere gebouwen.
Zo is bekend dat een bouwmeester uit de zestiende eeuw aan de paus
vroeg of hij sommige delen van het Colosseum mocht gebruiken voor de
bouw van het Palazzo Farnese. De paus, als heerser van Rome ook
eigenaar van het Colosseum, gaf hem daarop toestemming om zoveel
bouwmateriaal mee te nemen als hij binnen 24 uur kon weghalen.
De man liet zich door deze strakke tijdslimiet niet afschrikken: hij
liet maar liefst vierduizend arbeiders aanrukken die binnen de hem
toegemeten tijd een groot gedeelte van het Colosseum ontmantelden!